Geschiedenis

De Uffelse watermolen in Haler - Uffelsen, gemeente Leudal in Nederlands Limburg dateert vermoedelijk uit de 13e of 14e eeuw. Maak hier kennis met de rijke historie van deze op de Uffelse Beek gelegen onderslag graanmolen.

Banmolen
De eerste en oudste banmolen - de molen van Uffelsen - van het land Kessenich lag in het gebied Bronshorn. Middelpunt van de heerlijkheid Bronshorn was een "kasteel" Bronshorn, waarschijnlijk een in vakwerk uitgevoerde woontoren op een kelderverdieping van metselwerk te midden van grachten. Ongetwijfeld zal daar een hoeve met tiendschuren, watermolen e.d. in de onmiddellijke omgeving hebben gestaan. Vermoedelijk dat de Uffelse molen uit deze tijd dateert.
Het dorp Hunsel was de hoofdplaats van het gebied. Een oud register van het jaar 1307 spreekt van een kasteel met grachten. Veel is niet over het kasteel bekend. Het heeft in ieder geval niet lang bestaan. In de 70 tiger jaren van de 14e eeuw woedde in de Hunselse regio een zware pest epidemie, die de hele streek van Bronshorn ontvolkte. Waarschijnlijk is toen ook het oude middelpunt van de heerlijkheid het "kasteeltje" Bronshorn verlaten, temeer daar Jan II van Bronshorn - Reifferscheid door zijn huwelijk in 1402 met de erfdochter van Kessenich het kasteel Op den Berg in Kesssenich als zijn residentie ging gebruiken. De woontoren te Hunsel verviel meer en meer en werd waarschijnlijk door terugkerende boeren, die de streek waren ontvlucht in de verband met de pest, als slooppand gezien en het materiaal, dat nog bruikbaar was door hen voor de opbouw of renovatie van de door hen verlaten woningen gebruikt.
De heren van Bronshorn hebben waarschijnlijk tegen de verplaatsing van de oude Hof van Bronshorn naar Kessenich geen bezwaar gehad. Daar de stenen onderkomens in Kessenich geriefelijker waren dan de vakwerk woontoren.
Door het eerder genoemde huwelijk tussen Jan II met de erfdochter van Kessenich Johanna van Schoonvorst werden Kessenich en Bronshorn weer een heerlijkheid. In 1400 brak er een twist uit tussen Gulik en Luik. Louis van Reifferscheid koos partij voor Gulik als diens leenman. Maar Gulik verloor de strijd en de Prins - Bisschop nam het kasteel Kessenich van hem af en schonk dit aan zijn bloedverwant Jan II van Bronshorn, die trouwens gehuwd was met de dochter van Louis Reifferscheid.
Het centrum van de nieuwe verenigde heerlijkheid werd uitgebouwd op "de Berg" tegenover de kerk van Kessenich. Hier werd het huis van Bronshorn en de Hof van Bronshorn, de oude grote kasteelboerderij gebouwd. De Heerlijkheid was onderworpen aan slechts 1 Schepenbank - behalve tussen 1655 en 1711 - toen Hunsel een eigen Schepenbank had. Het oude machtcentrum van Bronshorn, dat waarschijnlijk bij Hunsel lag, is geheel verdwenen.
Jan II van Bronshorn had twee zonen, namelijk Arnold II en Jan, waarover zo meteen meer.

Gelegen op de Aabeek, vroeger ook Ghoorbeek genoemd, was de Uffelse molen - onderslag graanmolen - begin 1400 de enige banmolen in dit gebied.
Met de komst van een watermolen bij kasteel Borgitter werd de Uffelse molen voor het halve land van Kessenich en Kinrooi banaal verklaard. Dat wil zeggen dat men verplicht was het graan te laten malen op de Uffelse molen.

Eigenaren en pachters
De zoon van Jan II van Bronshorn Reifferscheid - Arnold II van Horne - huwde in 1429 met Elisabeth van Heinsberg, de natuurlijke dochter van Jan van Loon, heer van Heinsberg, Gulik (pandheer) en Leeuwenberg en een gravin van Solms. De eerste keer dat er sprake is van de Uffelse molen vinden we in de akte van 1429 waarin Jan van Loon - ook wel Jan van Gulik - afstand doet van het gebied van Kessenich en Bronshorn met alle landen, luiden, mannen van leen, beemden en watermolen ten gunste van zijn schoonzoon Arnold II. Omdat er in Kessenich nooit een molen heeft bestaan voor die tijd, moet het de Uffelse molen zijn, hoewel ze in genoemde akte niet bij naam wordt genoemd.
Hoe lang Arnold II eigenaar is gebleven, is niet bekend. In 1604 is de molen in het bezit van de familie van Uffelsen uit Neeritter.

Guido van Malsen, in die tijd grondheer geworden door zijn huwelijk met Johanna van Kessenich, droomde er van het oude erfgoed inclusief de molen weer terug te krijgen. Van Malsen slaagde niet in zijn opzet want zijn weduwe moest in januari 1626 het hele bezit verpanden aan Hendrik van Bocholt, schout van Weert. Het erfgoed bestond toen uit de Uffelse watermolen met huis, boomgaarden, landerijen, beemden en twee boerderijen Grouwelshof en Ingenhof.
Na de dood van mevrouw van Malsen, vervielen de bezittingen aan hun dochter Maria van Malsen, abdis in het klooster te Susteren. Toen deze overleed werd haar zwager Walrave van Waes op 22 april 1645 eigenaar van de molen en de overige goederen. De verdeling van de erfgoederen gaf echter aanleiding tot een jarenlange strijd tussen de twee schoonbroers Walrave van Waes en baron Ferdinand van Vogelsanck. Uiteindelijk werd de molen aan de baron toegewezen, maar aangezien deze geen achterstallige schulden betaalde, werd het goed na gerechtelijke vervolging met alle bijbehorende bezittingen na voorafgaande kerkproclamatie publiek verkocht. Voor 3080 gulden en betaling van de openstaande kosten wordt Karel Croll de nieuwe eigenaar. In de muurankers op de binnenplaats herkennen we deze naam. Na enige jaren wordt het eigendomsrecht vermaakt aan verwanten.
De molen bleef tot in 1826 in het bezit van de familie de Verschuyl. De molen ging over op jonkheer de Vlodorp van Roermond en na zijn dood op baron Scherpenseel -Heusch, die hem in 1857 publiek verkocht aan Jan van Ratingen uit Kinrooi, voor de som van 13.000 Nederlandse guldens. Vervolgens komt de molen in handen van Margaretha van Ratingen, die getrouwd is met Cormelis van Esser, molenaar in Ophoven (B).

Pachters van de Uffelse molen waren achtereenvolgens H. Linsen, de weduwe H. Linsen, J. Gielen en L. Verstappen, die in 1921 als hoogste bieder de nieuwe eigenaar van de molenaar werd. Louis Verstappen verkocht in 1953 op zijn beurt weer de molen aan de pachter Johannes Hubertus Gerardus Peeters (Sjeng). Mede eigenaar werden zijn broers landbouwer Sjir, molenaar Wiel en zus Suzanne Maria Jacoba (Jeanne). Louis Verstappen overleed in 1957 en woonde destijds bij de familie Peeters in. Molenaar Wiel Peeters stierf op 31 augustus 1997. Op 28 april 2003 verkoopt molenaarsweduwe Fien Peeters - Smeets de molen en aangehorigheden aan de van origine uit Maastricht afkomstige John Klerkx.
 
 
Conflicten
De Uffelse molen is in de loop van de eeuwen regelmatig bron van conflict omdat de banaliteit - verplicht graan laten malen - nogal eens ter discussie staat. Prijs, kwantiteit en kwaliteit van de gedwongen malingen (molenrecht) en de hoogte van het water in de beek (stuwrecht) waren inzet van menig geschil. In hoeverre de moedwillige brand in 1726 het gevolg is van één van deze geschillen is niet duidelijk. In 1742 en in 1879 wordt de molen en het inmiddels aangebouwde woonhuis opnieuw door brand getroffen en gedeeltelijk vernield.
 
 
Gebouw
Het gebouwencomplex bestaat uit een molen-, boerderij-, woongedeelte en kapel (sinds 1901).
Daarnaast is er een prachtige tiendschuur en een oud bakhuis, later uitgebreid met een varkensstal. Oorspronkelijk bestonden de muren van de molen en de boerderij uit baksteen, afgewisseld met mergelbanden of speklagen. Voor een klein deel is dit buiten nog zichtbaar in de muur van het molengedeelte. Deze bouwwijze met mergelbanden gaf de molen een bijzonder aanzien en bevestigt haar rijk verleden. Daarnaast hadden deze speklagen ook een functionele betekenis. De groffe korrelstructuur van de mergel zorgde ervoor dat vocht makkelijk naar buiten kon.
De zijgevel boven het waterrad is in hout opgetrokken. Het woongedeelte van het huidige complex is pas later tegen het boerderij gedeelte aan de straatkant gebouwd.
De Uffelse molen heeft een onderslagrad en had een gebint met vier sluizen dat in 1963 is afgebroken.
Het oorspronkelijke houten rad had een middellijn van 4,54 meter.
De watermolen had drie koppels stenen, die in een cirkel om het spoorwiel van het houten gangwerk op de steen bedding lagen.

De afkoop van het waterrecht in 1961 betekende definitief het einde van het door waterkracht aangedreven zijn van de molen. De vier sluizen van de molen werden afgebroken, de beek iets verlegd en de molenwiel gedempt, waarna het waterrad op het droge kwam. Het bestaande maalwerk werd uitgebroken en vervangen door een hamermolen met een snellopende Güldner dieselmotor, twee mengketels en een elevator (Jacobsladder). De huidige inrichting van de molen. Tot einde 1983 werd hiermee bedrijfsmatig in de molen gemalen.
Sindsdien zijn de aanwezige installaties nauwelijks meer gebruikt met als gevolg dat deze meer en meer in verval zijn geraakt. Dankzij deskundige hulp van vrijwilligers kon de hamermolen in 2005 worden hersteld; in 2006 werd de Jacobsladder opnieuw gericht en gespannen; en in 2007 wisten deskundigen vrijwilligers van het Openlucht museum Eynderhoof in Nederweert Eynd de dieselmotor weer aan de praat te krijgen. Na de grote restauratie van de hoofdgebouwen is in de zomer van 2011 de motor opnieuw gekoppeld aan de hamermolen. Vanaf dat moment kan weer worden gemalen, helaas niet op waterkracht. Het is namelijk niet meer mogelijk het waterpeil op het oorspronkelijke niveau terug te krijgen. Wel hebben inmiddels diverse organisaties waar onder het Waterschap Maas en Peelvallei toegezegd mee te werken aan de herinrichting van de Uffelse beek en het omliggende gebied. Een en ander gaat in de komende jaren worden gerealiseerd. Het buiten aanzicht van de molen krijgt daarmee haar oorspronkelijk karakter terug. De ligging wordt nog pittoresker dan nu al het geval is.  
 
Toekomst
Met een dergelijke rijke historie en centrale rol in het vroegere dagelijkse leven ligt het voor de hand de molen ook in de toekomst een actieve sociaal, culturele rol te laten vervullen voor zowel bewoners, verenigingen en organisaties uit de gemeentes Leudal en Kinrooi (België) als voor geïnteresseerden uit de verre omgeving.
Bedoeling is de gebouwen en de omgeving - in nauwe samenwerking met de gemeente Leudal, Monumentenzorg, restauratie architect Teun Dorrepaal en historicus Leon Dentener - zoveel mogelijk hun oorspronkelijke vorm terug te geven met realisatie van een nieuwe gebruiksfunctie. Eind augustus 2008 is gestart met de grote restauratie van het gebouwencomplex. Anno 2015 resteert de restauratie van de bakoven, het binnen en buitenterrein en de buitenzijde aan de waterkant, inclusief waterrad, gebint en ark. Met name aan de waterzijde zijn we afhankelijk van externe partijen zoals het Waterschap en aanvullende financiële middelen, waardoor niet exact aan te geven is wanneer herstel kan gaan plaatsvinden. Neemt niet weg dat we 80% van de restauratieklus inmiddels hebben geklaard en zover zeer tevreden zijn met het behaalde resultaat.
 
 
Restauratiefonds
Met de restauratie zijn grote kosten gemoeid. Lang niet alle werkzaamheden zijn subsidiabel en van het deel van de werkzaamheden dat subsidiabel is, werd 30% vergoed. Om restauratie toch mogelijk te maken is met name voor de restauratie van de inrichting van het molengedeelte, daterend uit de dertiger en zestiger jaren van de twintigste eeuw, een restauratiefonds gecreëerd. Ook uw bijdrage is - naast de inkomsten uit de horeca activiteiten - van harte welkom op rekening nummer 48.58.75.217 inzake restauratiefonds Uffelse Molen.
Het beoogde resultaat: een prachtig decor en een gastvrij onderkomen voor de liefhebbers van Limburgse historie.

Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 6 oktober 2017.